Door de ogen van het kind: De molen van mijn opa

Het is vrijdagmorgen als ik wakker word. “Nog een dag naar school, morgen ben je weer lekker bij me thuis,” zegt mijn moeder. “Maar ik wil liever met papa mee naar de molen van opa, “ fluister ik haar toe. Want ik wil opa zijn molen zien draaien, kijken naar de boeren, die met paard en wagen het graan brengen, dat gemalen moet worden. Beleven hoe de zakken met koren naar de maalzolder gehesen worden. Meehelpen om de katrol te bedienen, die de boel naar boven moet tillen. Ook wil ik weer luisteren naar de muziek van de malende stenen, de geur van het meel ruiken. Kijken hoe stoere mannen de zakken stapelen, en hun haren alsmaar witter worden van het meelstof. Met mijn vriendjes verstoppertje spelen achter de talrijke stapels juten zakken. Hen meenemen naar de bovenste zolder, waar het daglicht door kleine ramen lieflijk binnenvalt en sprookjesachtige figuren tekent.
Daar waar alleen het geluid van de wind en de slagen van de wieken hoorbaar zijn.
Waar de talrijke duiven af en aan vliegen, en gade slaan hoe zij hun kostje scharen. Vriendjes vertellen van het graan dat van de velden komt, voedsel geeft aan velen.

“We zullen morgenvroeg wel eens kijken of je met papa mee kunt, ” zegt mijn moeder. In gedachten zie ik de molen weer voor me en als kind kan ik hem helemaal omschrijven. Het is een stenen stellingmolen, die gebouwd is op een heuvel. Onder de molen is een gang waar de boeren met paard en wagen door kunnen rijden. Zware openslaande deuren nodigen je uit om binnen te treden. Van binnen is de molen stoffig en er zijn veel spinnenwebben. Op de bovenverdieping tocht het, en de maalzolder, waar zich de draaiende stenen bevinden, is wit van het meelstof. Bij opa in de molen kan ik urenlang doorbrengen.