Spel- en speelherinneringen, cursisten

Nelly Janssen bracht haar jeugd door op de boerderij en dat leverde haar een mooi verhaal op:

“Thuis hadden we een boerderij waar altijd wat te beleven was. Soms gingen we op de hooizolder in het hooi springen. Of er waren jonge poesjes waar we lekker mee konden knuffelen of met de hond spelen en met kalfjes of jonge biggetjes. Als er een veulen was geboren, werd dat een mooi speelkameraadje. De dieren op de boerderij waren het allermooiste speelgoed. Ook was het altijd mooi als er zomaar ergens vandaan een moeder kip, ook wel kloek genoemd, met haar ‘kindertjes’ kwam aan kwam lopen om haar kroost te laten zien. Soms waren het wel tien van die ronde bolletjes. In de schuur speelden we toneel en nodigden we de buurkinderen uit om naar ons eigen verzonnen verhaal te komen kijken dat we van tevoren niet hadden gerepeteerd…”

Piet van Oostrum is zijn spel ‘met een knipoog’ nooit vergeten, al speelde hij het al rond 1930:

“Bij één spel kon je op een bepaald nummer in de gevangenis belanden, dan werd je opgeborgen als de grootste boef. Je kreeg niks te eten of te drinken zolang je niet door een ander werd afgelost. Dit spel werd met dobbelstenen gespeeld. Sommige kinderen konden niet tegen hun verlies en probeerden dan met een ander getal de dans te ontspringen. Wij hadden een tante, die we trievel tante noemden, wat zij niet wist. Als zij in de bajes kwam noemde ze stiekem een ander getal dan ze had gegooid. Het was een doodgoed mens, nu al heel…lang, goed dood en begraven…”

Leo Wagemans herinnert zich de katapult, die tegenwoordig onder verboden wapenbezit valt:

“Naast de proppenschieter was de katapult iets gevaarlijker maar niet minder leuk. De katapult is een lange afstand ‘schietapparaat’. Althans voor ons: toen. Om een goede te maken moesten we de natuur in om geschikt hout te zoeken en dat viel niet altijd mee. Hout van de paardenkastanje, wilg of meidoorn had onze voorkeur. We moesten dan net zo lang zoeken tot we een goede tak met een V-vorm hadden gevonden. Ook moest de tak voldoende sterk zijn want er werd veel kracht op uitgeoefend. Aan de ‘vork’ werd aan de twee uiteinden sterke elastiek bevestigd. In het elastiek werd een stukje leer, van een oude schoen, geplaatst waarin een steen werd gelegd. Op het elastiek werd trekkracht uitgeoefend om die vervolgens plotseling te onderbreken met als gevolg dat de steen meters ver kon schieten. Een belevenis van toen was: de kastanjes van de boom te schieten, of nog erger, op de isolatoren van de elektriciteitspalen schieten. Ja, vroeger waren we erg vindingrijk en verveelden we ons nooit. We hadden toen geen hangplek of drugs nodig om ons te vermaken.”

Jo Ghijsen weet nog als ‘de dag van gisteren’ hoe ze op de schoot van haar vader zat en vroeg:

“Vader doe nog eens van het damespaard. Dan mocht ik op zijn knie en vader zong: ‘’een damespaard, een damespaard, een damespaard gaat zo! Een herenpaard, een herenpaard, een herenpaard gaat zo en een boerenpaard, een boerenknol, een boerenpaard gaat zo!” Dat ging dan heel wild en dan werd ik er af gegooid.”