Vliegeren, Jo Ghijsen

Toen ik klein was, maakte vader elk jaar rond half augustus een vlieger met ons. Dan werd er vliegerpapier gekocht en latjes en vliegertouw. Lijm maakten we zelf (sago gekookt met water). Vader leerde ons hoe je een vlieger spant.

We gingen naar een pas gemaaid korenveld waar de stoppels nog op stonden. Daar hielden we de vlieger zo hoog mogelijk omhoog en tegelijk renden we om voldoende wind te vangen als je hem losliet. En dan maar hopen dat het geheel niet te zwaar was en dat we hem goed in evenwicht hadden gemaakt, zodat hij niet schuin ging hangen.

Als hij hoog in de lucht stond, stuurden wij er een ‘telegram’ naar toe. Het was de kunst om de vlieger zo lang mogelijk in de lucht te houden, als hij begon te zakken, moesten we weer rennen om hem te laten stijgen. De stoppels stonden nog op het veld, die staken onze enkels kapot maar een beetje pijn hadden wij er wel voor over. We wedijverden met vriendjes welke vlieger het hoogst ging.