Uit de brand, Jeanette Gelderman

De dag van de brand in februari 1957 leek een dag als alle andere, tot ik ’s middags, terug uit school, in Appeltern uit de bus stapte. Dorpsgenoten wachtten me op en vertelden: Jullie huis staat in brand. Ik wilde het niet geloven tot ik het zag.

De brandweer was nog bezig met blussen en omdat het zo hard had gevroren waren er door het bluswater ijsbanen ontstaan rondom het huis. De ijsbanen belemmerden de brandweer en ook andere hulpverleners hun werk te doen. Sommige mensen probeerden nog wat te redden, zo stond er iemand goed bedoelend stapels serviesgoed naar buiten kapot te gooien. Als degelijk protestants gezin beschikten we over een harmonium. Redders hadden het orgeltje bovenaan de dijk in de ijzelregen gezet, wat het volstrekt onbruikbaar maakte. Ondanks alle treurigheid heb ik dit toch ook als een komisch toneelstuk ervaren. Mijn twee broers hadden het belangrijkste gered, dat waren ‘ons koe’ en de loonwerkersmachines waar de kost mee moest worden verdiend. De brandweer verbood ons dingen uit het voorhuis met het rieten dak te redden, te gevaarlijk oordeelden zij. Ik voelde me reddeloos en machteloos, alles kwijt. Het enige dat ik nog bezat was wat ik aan had en mijn boekentas.

Toen is Gerry Sanders gekomen, zij was de vrouw van een vriend van mijn oudste broer. Zij zei: Jullie moeten maar bij ons in huis komen voorlopig. Lieve goede Gerry. Ze woonde met haar man, drie kinderen en haar vader in een klein huis. Toch zette ze op hun zolder 2 tweepersoons bedden. Wij beklommen de zolder, die alleen vanaf de deel was te bereiken, elke avond via een ladder en daar sliepen we. Gerry en haar man hebben ons volledig in hun gezin opgenomen. Gerry strooide een warm moederschap uit over mijn zusje en mij, ongekend na mijn moeders dood in 1950. Wij moesten Gerry helpen bij het huishoudelijk werk, net zo als haar eigen dochter. Aardappelen schillen, dweilen en dingen afstoffen, maar er waren ook de dweilgevechten, elkaar bekogelen met natte dweilen tot alle meiden de slappe lach hadden, inclusief Gerry. Ik herinner mij deze inwoning als een fijne tijd want Gerry stopte ons ’s avonds in bed, we kregen een nachtzoen en ’s morgens maakte ze ontbijt voor iedereen. Dit paradijs met onze loco moeder kon voor mij niet lang genoeg duren!

Maar achter het afgebrande huis stond nog een grote schuur. De kippen die er in woonden kregen een ander onderkomen en wij hebben er een woonkeuken, twee slaapkamers en een toilethok met een doucheslang in gemaakt. Na drie maanden was de verbouwing klaar en moesten we afscheid nemen van het gezin van Gerry. Toch is Gerry nog lang een beetje onze moeder geweest, wij misten haar en zij ons, want af en toe lag er een briefje bij ons op tafel waarin ze schreef: Ik heb hier al geveegd en de afwas gedaan, komen jullie dan gezellig bij mij thee drinken? We gingen maar al te graag in op haar vraag, want we hebben ons heel gelukkig bij haar gevoeld, ze straalde altijd een warm welkom uit.

Intussen wenden we een beetje aan onze nieuwe behuizing. Die bleek ook voordelen te hebben. Het onderkomen was een stuk kleiner dan de grote boerderij en omdat mijn zusje en ik in ons ouderloos gezin de huishouding moesten doen, betekende het wel dat wij veel minder schoonmaakwerk hadden. Ik geloof dat ik de allergrootste vooruitgang vond dat we daar een oliekachel hadden, zodat je niet meer op wintermorgens eerst de kolenkachel moest opstoken, die altijd pas warm werd als we de deur uit moesten voor school en werk. Het nadeel was wel dat mijn zus en ik geen privéplek meer hadden om ons huiswerk te maken; we kookten eten, we hielden het huisje schoon, we zetten veel koffie, mijn broers ontvingen bezoek en te midden van dit alles maakten Tine en ik de opdrachten voor school.

Ik heb tot mijn 23e jaar in het verbouwde kippenhok gewoond en ben van daaruit vertrokken naar een huurkamer in Nijmegen omdat ik in die stad werk had gevonden.